Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:546

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2021
Publicatiedatum
9 april 2021
Zaaknummer
19/01924
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in motorrijtuigenbelastingzaak

Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting over de periode 22 november 2016 tot en met 21 februari 2017. Het Gerechtshof Den Haag heeft de zaak behandeld en uitspraak gedaan op 3 mei 2019.

Belanghebbende heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad ontving verzoeken tot wraking van de leden die de zaak behandelden, welke zijn afgewezen dan wel buiten behandeling gesteld. Door het defungeren van een lid is de samenstelling van de kamer gewijzigd.

Na beoordeling van de ontvankelijkheid en inhoudelijke klachten is geconcludeerd dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. De Hoge Raad maakt daarom gebruik van artikel 80a RO en verklaart het beroep niet-ontvankelijk zonder verdere motivering. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01924
Datum9 april 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 mei 2019, nr. BK-18/00951, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/6594) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 22 november 2016 tot en met 21 februari 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Vooraf

1.1
Bij brief van 6 februari 2020 is aan belanghebbende meegedeeld dat op 14 februari 2020 uitspraak zal worden gedaan op het beroep. In die brief is vermeld dat de beslissing zal worden genomen door de leden R.J. Koopman, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout.
1.2
De Hoge Raad heeft op 13 februari 2020 een verzoekschrift van belanghebbende ontvangen strekkende tot wraking van de hiervoor in 1.1 genoemde leden van de Hoge Raad. Bij beslissing van 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1861, heeft de wrakingskamer van de Hoge Raad het verzoek afgewezen.
1.3
Bij brief van 3 december 2020 is aan belanghebbende meegedeeld dat op 11 december 2020 uitspraak zal worden gedaan op het beroep in cassatie. In die brief is vermeld dat de beslissing zal worden genomen door de leden R.J. Koopman, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout.
1.4
De Hoge Raad heeft op 11 december 2020 een verzoekschrift van belanghebbende ontvangen strekkende tot wraking van de hiervoor in 1.3 genoemde leden van de Hoge Raad. Bij beslissing van 15 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:61, heeft de wrakingskamer van de Hoge Raad het verzoek buiten behandeling gesteld en bepaald dat een volgend verzoek om wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
1.5
Bij brief van 22 januari 2012 is aan belanghebbende meegedeeld dat in verband met het defungeren van mr. L.F. van Kalmthout per 1 januari 2021de samenstelling van de zetel in deze zaak is gewijzigd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureurgeneraal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.