2.2.Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op vermindering van vorenbedoeld in 2001 en 2002 van haar geheven schenkingsrecht.
2.3.1.Het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor vermindering die wordt gesteld in artikel XA, lid 1, letter a, van de Wet van 17 december 2009 omdat aan de inbrenger [X2] geen afgezonderd particulier vermogen kan worden toegerekend.
2.3.2.Daartoe heeft het Hof onder meer geoordeeld (onderdeel 5.4 van 's Hofs uitspraak) dat de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.14a van de Wet IB 2001 weliswaar niet eenduidig is, maar dat de wetgever niet bedoeld heeft om ieder afgezonderd vermogen fictief toe te rekenen.
2.3.3.Voorts oordeelt het Hof onder meer (onderdeel 5.5 van zijn uitspraak) dat aan toerekening van onder trustverband gebracht vermogen op grond van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 alleen wordt toegekomen indien de bevoegdheden van de bij de trust betrokken personen ten aanzien van de uitkeringen zo ruim geformuleerd zijn dat onduidelijk is wie gerechtigd is tot (een deel van) het onder trustverband geplaatste vermogen. Is daarentegen duidelijk aan wie en onder welke voorwaarden vermogen wordt uitgekeerd, dan brengt dit mee dat een economische gerechtigdheid kan zijn ontstaan. Voor dat deel is gelet op artikel 2.14a, lid 2, van de Wet IB 2001 geen sprake van een afgezonderd vermogen, aldus het Hof.
2.3.4.Het Hof heeft voorts onder meer geoordeeld (onderdeel 5.6 van zijn uitspraak) dat vaststaat dat het gehele trustvermogen is bestemd voor belanghebbende en in de loop der tijd aan haar of haar rechtsopvolgers onder algemene titel zal worden uitgekeerd. Dit brengt mee dat voor belanghebbende destijds een economische gerechtigdheid is ontstaan, aldus het Hof. Daaraan doet niet af hetgeen in de trustakte is bepaald omtrent het recht op uitkeringen dat belanghebbende voor haar 21e verjaardag heeft. Ook de bepaling in de trustakte voor het geval belanghebbende overlijdt zonder nakomelingen brengt volgens het Hof niet mee dat geen sprake is van een economische gerechtigdheid voor belanghebbende. Doorslaggevend is dat belanghebbende, evenals haar rechtsopvolgers onder algemene titel, de rechten uit hoofde van de trustakte geldend kan maken, aldus nog steeds het Hof.
2.3.5.Het Hof is voorts van oordeel (onderdeel 5.7 van zijn uitspraak) dat de Trust, zoals belanghebbende in 2000 zelf heeft verklaard, een ‘irrevocable fixed trust’ is. Artikel 2.14a van de Wet IB 2001 is volgens het Hof niet van toepassing omdat het onder trustverband gebrachte vermogen niet, ook niet voor een gedeelte, discretionair is en belanghebbende de enige is die een economische gerechtigdheid jegens het trustvermogen heeft.
2.3.6.Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen 's Hofs beslissing.
2.4.1.Artikel XA, lid 1, van de Wet van 17 december 2009 voorziet in een mogelijkheid tot vermindering van een aanslag schenkingsrecht die is opgelegd ter zake van het voor 1 januari 2010 afzonderen van vermogen, zoals bedoeld in artikel 2.14a, lid 3, van de Wet IB 2001. Voor een dergelijke vermindering is vereist dat op grond van artikel 2.14a van de Wet IB 2001 de bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen aan een belastingplichtige worden toegerekend. Op grond van artikel 2.14a, lid 2, letter b, van de Wet IB 2001 wordt een vermogen voor de toepassing van dit artikel niet als afgezonderd particulier vermogen aangemerkt indien tegenover de afzondering van dit vermogen een economische deelgerechtigdheid is ontstaan.
2.4.2.Het middel betoogt terecht dat het begrip 'economische deelgerechtigdheid' in artikel 2.14a, lid 2, letter b, van de Wet IB 2001, waarop het Hof zijn oordeel mede baseert, blijkens de door de wetgever gegeven toelichtingen ziet op samenwerkingsverbanden zoals personenvennootschappen en daarom een andere betekenis heeft dan het Hof kennelijk voor ogen staat. Deze – beperkte - opvatting sluit ook aan bij de bewoordingen van de bedoelde bepaling, aangezien niet iedere economische gerechtigdheid tot vermogensbestanddelen kan worden aangeduid als een
deelgerechtigdheid. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden gelet op het hierna volgende.
2.4.3.De wijze waarop de wetgever door middel van de onderhavige wettelijke regeling inhoud heeft willen geven aan de behandeling van vermogen dat een particulier van zijn (overig) bezit heeft willen afscheiden door gebruik van trusts, stichtingen, Treuhands en dergelijke rechtsfiguren, komt tot uitdrukking in de volgende passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 december 2009:
“Het volgen van de civielrechtelijke status van de vermogensbestanddelen doet recht aan het onderscheid 'discretionary' en 'non-discretionary'. Het discretionaire deel wordt toegerekend aan de persoon die vermogen heeft afgezonderd of, na diens overlijden, aan zijn erfgenaam. Het niet discretionaire deel, het 'fixed' deel, wordt op grond van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001, rechtstreeks toegerekend aan de gerechtigde tot dit niet-discretionaire deel. Per saldo verantwoordt de inbrenger alle bezittingen en schulden, waaronder de verplichting tot het doen van uitkeringen, in de inkomstenbelasting. De gerechtigde tot de uitkeringen neemt zijn recht dan wel de periodieke uitkeringen op in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Een onderscheid in naam als 'irrevocable' of 'revocable', 'discretionary' of 'fixed' of een ander onderscheid is voor de toepassing van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van belang. Van belang zijn steeds de feiten en omstandigheden. Als het afgezonderd particulier vermogen discretionair is, is de voorgestelde toerekening aan de orde. Als het afgezonderd particulier vermogen non-discretionair is, wordt toegerekend aan de gerechtigde in plaats van aan de inbrenger of diens erfgenamen. Is de rechtsfiguur deels discretionair en deels non-discretionair dan geldt artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 alleen voor het discretionaire deel.” (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 51–52).
2.4.4.Het Hof is klaarblijkelijk en in cassatie onbestreden ervan uitgegaan dat de rechtsverhoudingen van belanghebbende en [X2] tot de Trust te kennen zijn uit de in ’s Hofs uitspraak weergegeven passages uit de Trust Agreement (zie hiervoor onder 2.1.2) en uit de daarop in het jaar 2000 namens [X2] gegeven toelichtingen (zie hiervoor onder 2.1.3). Deze Trust Agreement en die toelichtingen laten geen andere conclusie toe dan dat de Trust zich daardoor kenmerkt dat deze dient tot het in stand houden en het aanwenden van het daarin ingebrachte vermogen ten gunste van belanghebbende, die is aangewezen als enige rechthebbende op dat trustvermogen. Aan deze conclusie staat niet in de weg dat de toegekende uitkeringen niet onmiddellijk vorderbaar en inbaar zijn. De omstandigheid dat de uitkeringen totdat belanghebbende 21 jaar is niet op een vast bedrag zijn vastgesteld, doet er ook niet aan af dat uitsluitend belanghebbende begunstigde is en zij uiteindelijk rechthebbende is tot het volledige vermogen van de Trust.
2.4.5.In artikel II, letter e, van de Trust Agreement is bepaald dat in geval van belanghebbendes overlijden het vermogen van de Trust geheel ter beschikking wordt gesteld van de rechthebbenden op haar nalatenschap, al dan niet bij wege van testamentaire making. De omstandigheid dat een bijzondere voorziening is getroffen voor het geval belanghebbende overlijdt zonder nakomelingen achter te laten en zonder dat zij een testament heeft gemaakt, is van onvoldoende gewicht om te concluderen dat belanghebbende niet de enige begunstigde is.
2.4.6.Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.4 en 2.4.5 is overwogen is van een discretionair deel in de door de wetgever bedoelde zin geen sprake. Daarom heeft het Hof, in het licht van de hiervoor onder 2.4.3 aangehaalde wetsgeschiedenis, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn kennelijke oordeel dat uit de van belang zijnde feiten en omstandigheden volgt dat aan [X2] na de inbreng van de vermogensbestanddelen in de Trust geen bezittingen kunnen worden toegerekend op de voet van artikel 2.14a van de Wet IB 2001. Dit oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Uitgaande van dat oordeel is het Hof terecht tot de slotsom gekomen dat ter zake van het in verband met de onderhavige inbreng geheven recht van schenking geen beroep kan worden gedaan op vermindering daarvan op de wijze die is voorzien in artikel XA van de Wet van 17 december 2009. Het middel faalt derhalve.