ECLI:NL:HR:2021:366
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk inzake kosten van vervolging
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake aan hem in rekening gebrachte kosten van vervolging. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 28, lid 4, letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Volgens deze bepalingen is cassatie niet mogelijk tegen uitspraken van de voorzieningenrechter die zijn gedaan op grond van artikel 8:84, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten aan partijen. De uitspraak is gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en is op 12 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens wettelijke uitsluiting van cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter.