ECLI:NL:HR:2021:174
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen verzetuitspraak niet-ontvankelijk
Belanghebbende, woonachtig in Marokko, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 maart 2020, die betrekking had op verzet tegen een eerdere uitspraak van 31 oktober 2019. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie. Volgens artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken indien dit bij wet is toegestaan.
In deze zaak is er geen wettelijke bepaling die cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep toestaat wanneer deze zijn gedaan op verzet tegen een uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Daarnaast werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het betaalde griffierecht van €135 werd aan belanghebbende teruggegeven.
Het arrest werd uitgesproken op 5 februari 2021 door raadsheer Wortel als voorzitter en raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbrekende wettelijke grondslag.