Uitspraak
30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden respectievelijk artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst op grond van het Verdrag betreffende sociale zekerheid van Rijnvarenden en de Europese Verordening betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de zaak geen vragen bevat die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ongewijzigd van kracht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijft in stand.