ECLI:NL:HR:2021:1026
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling regularisatieovereenkomst sociale zekerheid rijnvarenden en coördinatie socialezekerheid
Belanghebbende, een rijnvarende die van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 werkzaamheden verrichtte aan boord van een vaartuig dat onder de Rijnvaart valt, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om vast te stellen dat hij uitsluitend in Luxemburg sociaal verzekerd was en geen Nederlandse volksverzekeringspremies verschuldigd was. De Svb wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De Rechtbank Rotterdam oordeelde deels in het voordeel van belanghebbende door te bepalen dat de Svb het verzoek voor de periode na 1 mei 2010 aan de Luxemburgse autoriteiten had moeten voorleggen. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en verklaarde de beroepen voor de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 ongegrond, maar oordeelde dat voor 2012 een nieuw besluit moest worden genomen.
Belanghebbende stelde acht middelen van cassatie in, waaronder motiveringsklachten en het betoog dat de Svb had moeten overleggen met Luxemburg op grond van het Rijnvarendenverdrag en Verordening 883/2004. De Hoge Raad verwierp deze klachten, benadrukkend dat zijn bevoegdheid beperkt is bij de beoordeling van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en dat genoemde bepalingen geen ruimere bevoegdheid aan de Hoge Raad geven.
De Hoge Raad concludeerde dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet onjuist is en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.