Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Proceskosten
Wat betreft het beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de verhuurderheffing die hij over 2015 had voldaan. Ook de Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen dezelfde uitspraak. Beide partijen dienden meerdere schriftelijke stukken in, waaronder verweerschriften en conclusies van repliek en dupliek.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de kosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 2.136 voor beroepsmatige rechtsbijstand. Belanghebbende werd niet in de proceskosten veroordeeld. Het arrest werd op 25 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren van de Hoge Raad.
De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het hof en sluit het geschil over de verhuurderheffing 2015 af, zonder inhoudelijke wijziging van het bestreden arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt het hofarrest over de verhuurderheffing 2015.