Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het achtste middel
3.Beoordeling van het negende middel
4.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte in een vastgoedfraudezaak waarbij hij werd veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift en witwassen door een rechtspersoon. Het hof had een gevangenisstraf van tien maanden opgelegd.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafhoogte, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
Dit middel werd gegrond verklaard omdat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafhoogte betrof en verminderde de gevangenisstraf tot negen maanden en twee weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negen maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.