Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Rotterdam,
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad beantwoordt de vraag of een werknemer die na langdurige arbeidsongeschiktheid in een functie met een lager salaris wordt herplaatst aanspraak heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. De zaak betreft een werkneemster die na 13 jaar dienstverband en langdurige arbeidsongeschiktheid werd herplaatst van een voltijd functie als lerares naar een deeltijd functie als onderwijsassistente met een lager salaris.
De Hoge Raad stelt vast dat de transitievergoeding volgens het oude recht alleen verschuldigd is bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Herplaatsing in een andere passende functie zonder ontslag is geen beëindiging en geeft daarom geen recht op transitievergoeding. Dit geldt ook als de herplaatsing leidt tot een substantiële salarisvermindering. De Hoge Raad bevestigt dat alleen bij een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur recht op een gedeeltelijke transitievergoeding bestaat, niet bij salarisvermindering.
De Hoge Raad vernietigt eerdere beslissingen die anders oordeelden en benadrukt dat het wettelijke stelsel van de transitievergoeding niet voorziet in een vergoeding voor inkomensverlies door functiewijziging zonder ontslag. De kosten van de procedure worden aan de zijde van de werkneemster begroot op €1.800.
Uitkomst: Geen recht op transitievergoeding voor salarisvermindering door herplaatsing zonder ontslag.