ECLI:NL:HR:2020:560

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
31 maart 2020
Zaaknummer
19/05140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Verordening (EG) 987/2009
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan machtiging

In deze zaak heeft [X] beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende beschikkingen over de jaren 2013 en 2014 en verzoeken om schadevergoeding. Het beroep werd mede namens 34 andere personen ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroep in cassatie in te dienen namens deze personen, of een verklaring van instemming van hen.

Ondanks een aangetekende brief waarin dit verzoek werd gedaan en die volgens Track&Trace is afgeleverd, heeft de indiener geen machtiging of verklaring overgelegd. De Hoge Raad concludeert daarom dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie namens deze personen in te dienen.

Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en is op 3 april 2020 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05140
Datum3 april 2020
ARREST
op het door [X] te [Z] ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2797, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de hierna genoemde personen, betreffende ten aanzien van hen voor de jaren 2013 en 2014 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 19 van Pro de Verordening (EG) 987/2009 van 16 september 2009 en verzoeken om schadevergoeding.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.

Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld mede namens:
1. [X1]
2. [X2]
3. [X3]
4. [X4]
5. [X5]
6. [X6]
7. [X7]
8. [X8]
9. [X9]
10. [X10]
11. de erven van [X11]
12. [X12]
13. [X13]
14. [X14]
15. [X15]
16. [X16]
17. [X17]
18. [X18]
19. [X19]
20. [X20]
21. [X21]
22. [X22]
23. [X23]
24. [X24]
25. [X25]
26. [X26]
27. [X27]
28. [X28]
29. [X29]
30. [X30]
31. [X31]
32. [X32]
33. [X33]
34. [X34]
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift daarop verzocht binnen zes weken een bewijsstuk over te leggen waaruit blijkt dat hij is gemachtigd om het beroepschrift in cassatie in te dienen, dan wel een verklaring van degene namens wie hij beroep in cassatie heeft ingesteld dat deze daarmee instemt. Dat verzoek is bij aangetekende brief van 4 juni 2019 aan de indiener van het beroepschrift verzonden. Volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is die brief afgeleverd op het door de indiener van het beroepschrift opgegeven adres. De indiener van het beroepschrift heeft de gevraagde machtiging of verklaring ten aanzien van de hiervoor genoemde personen echter niet overgelegd. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift daartoe niet bevoegd was, en zal de Hoge Raad het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.