Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
5.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 3 maart 2020 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2017 in een strafzaak betreffende witwassen. De verdachte werd onder meer veroordeeld voor het bezit van grote hoeveelheden contant geld en dure horloges, waarvan werd vastgesteld dat deze afkomstig waren uit misdrijven.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen de verbeurdverklaring van een bedrag van € 15.956,96, dat volgens de verdediging betrekking had op een feit dat niet ten laste was gelegd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel over deze verbeurdverklaring onvoldoende had gemotiveerd en vernietigde dit deel van het arrest. Tevens werd de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat waren ingezonden en het arrest pas na meer dan twee jaar na het cassatieberoep werd gewezen. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden.
De overige klachten van het cassatieberoep werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad stelde daarmee vast dat het hof in de kern terecht had geoordeeld over de bewezenverklaring van het witwassen en de verbeurdverklaring van de overige voorwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt deels het arrest over verbeurdverklaring, vermindert de gevangenisstraf en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.