Deze zaak betreft een cassatieberoep van de vader tegen een deelbeschikking van het hof Amsterdam inzake de omgangsregeling met zijn minderjarige kind. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De omgangsregeling was eerder vastgesteld, maar sinds maart 2017 heeft geen omgang plaatsgevonden. De minderjarige heeft via een brief aan het hof haar wensen kenbaar gemaakt over de omgang, waarbij zij contact per WhatsApp of telefoon wenst en zelf wil bepalen wanneer zij weer naar haar vader gaat.
Het hof heeft geoordeeld dat de minderjarige op grond van art. 1:377g BW in het door de vader ingestelde hoger beroep op informele wijze zijn wensen kenbaar kan maken, waardoor het hof bevoegd is de omgang in volle omvang te beoordelen. De vader is ontvankelijk in zijn hoger beroep, de moeder en stiefvader niet in hun incidentele beroep. Het hof heeft een bijzonder curator benoemd en ambtshalve bepaald dat totdat een eindbeschikking is gegeven, geen omgang plaatsvindt behalve indien de minderjarige dat wil en contact per WhatsApp of telefoon.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet heeft miskend dat de informele rechtsingang van art. 1:377g BW ook in hoger beroep kan worden toegepast. De minderjarige hoeft niet formeel hoger beroep in te stellen, maar kan via een brief zijn wensen kenbaar maken. Wel geldt dat formeel hoger beroep door de minderjarige alleen mogelijk is met vertegenwoordiging. Het cassatieberoep van de vader tegen het deel van de beschikking dat de omgang tijdelijk beperkt, is te laat ingesteld en wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het overige beroep wordt verworpen.