ECLI:NL:HR:2020:255
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het begrip verknochtheid van zaken in de redelijke termijnbeoordeling toepaste, zoals bedoeld in eerdere arresten. Hierdoor kon het hof de redelijke termijn niet correct vaststellen.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de hoogte van de immateriële schadevergoeding betrof en stelde de vergoeding vast op in totaal €4.000, verdeeld over €1.000 te vergoeden door de inspecteur en €3.000 door de Staat.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Staat in de proceskosten en bepaalde dat de wettelijke rente over de vergoeding gaat lopen indien deze niet tijdig wordt betaald.
De uitspraak bevestigt het belang van een correcte toepassing van de redelijke termijn en de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding daarvan in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €4.000 en veroordeelt de Staat en Staatssecretaris in proceskosten.