Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
1 april 2011 is [A] aangetreden als bestuurder van [B] N.V., de enig aandeelhouder van belanghebbende.
NYSE Euronext Amsterdam Stock Exchange (hierna: de Peer Group).
[B] N.V. bedragen van € 196.825,78 respectievelijk € 147.919,58 ontving. Ook deze bedragen zijn [A] in april 2015 uitbetaald.
Het Hof heeft geoordeeld dat de PSP-rechten en de BCP-rechten geen aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10a, lid 6, Wet LB 1964 vormen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het opnemen van de uit de PSP-rechten en de BCP-rechten verkregen voordelen in de grondslag voor het berekenen van de pseudo-eindheffing niet in strijd is met doel en strekking van artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015).
De primaire stelling houdt in dat het Hof heeft miskend dat artikel 10a, lid 6, Wet LB 1964 niet de eis van een keuzerecht stelt, en dat aan de in deze bepaling wel gestelde voorwaarden is voldaan. Ook uit de parlementaire geschiedenis volgt volgens belanghebbende dat de wetgever heeft beoogd voor de toepassing van deze bepaling een ruim begrip van aandelenoptierechten en daarmee gelijk te stellen rechten te hanteren.
De subsidiaire stelling luidt dat het Hof artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015) te beperkt heeft uitgelegd omdat doel en strekking van deze bepaling meebrengen dat vóór 2014 toegekende aandelenopties niet tot de grondslag van de vertrekvergoeding behoren.
Belanghebbende wil kennelijk ingang doen vinden dat dit in het algemeen geldt voor ‘aan aandelen gerelateerde rechten die in een eerder jaar zijn overeengekomen en waarbij het loon op een later tijdstip in aanmerking wordt genomen’. Zij stelt zich op het standpunt dat de in de jaren 2011, 2012 en 2013 aan [A] toegekende PSP-rechten en BCP-rechten
buiten de grondslag van de pseudo-eindheffing moeten blijven.
In dit betoog kan belanghebbende niet worden gevolgd. Artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015) heeft alleen betrekking op aandelenoptierechten. De ratio van deze bepaling brengt niet in algemene zin mee dat het ontbreken van een verband met de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg moet hebben dat een loonbestanddeel bij de berekening van de vertrekvergoeding buiten beschouwing blijft.