Uitspraak
wonende te [woonplaats], Marokko,
zetelende te Den Haag,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 november 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Verzoeker, geboren in Nederland in 1999 als kind van een ongehuwde Marokkaanse moeder, heeft via een uitspraak van de rechtbank te Tanger het vaderschap van zijn biologische vader erkend gekregen. Op basis hiervan vroeg hij de vaststelling van zijn Nederlanderschap volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank wees dit verzoek af omdat de Marokkaanse uitspraak niet gelijkgesteld kon worden aan een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap volgens Nederlands recht, maar slechts aan een erkenning. De erkenning vond plaats na de geboorte en de vereiste DNA-bewijsvoering binnen één jaar na erkenning ontbrak, waardoor art. 4 lid 4 RWN Pro niet werd vervuld.
In cassatie betoogde verzoeker dat de eis van art. 4 lid 4 RWN Pro niet zou gelden bij een buitenlandse rechterlijke vaststelling van het biologische vaderschap na erkenning, en dat de erkenning in Marokko terugwerkende kracht heeft tot de geboorte, wat Nederlanderschap op grond van art. 3 lid 1 RWN Pro zou opleveren.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. Hij bevestigde dat de Marokkaanse uitspraak geen gerechtelijke vaststelling van het ouderschap is zoals bedoeld in Nederlands recht en dat latere erkenning niet gelijkstaat aan het juridisch vaderschap bij geboorte. Ook is de termijn van één jaar voor DNA-bewijsvoering geen onredelijke eis.
Daarmee blijft de afwijzing van het Nederlanderschap in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap.