ECLI:NL:HR:2020:1614

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
19/05050
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen kansspelbelasting

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in hoger beroep gegaan tegen naheffingsaanslagen kansspelbelasting en boetebeschikkingen opgelegd door de Inspecteur over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 april 2017. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze aanslagen en boetes bevestigd in haar uitspraak van 8 oktober 2019.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde diverse klachten aan tegen het oordeel van het hof. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten geen vragen betroffen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het oordeel van het hof ongewijzigd en zijn de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen definitief.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05050
Datum16 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2019, nrs. 18/00480 t/m 18/00483, 18/00492 en 18/00493, op de hoger beroepen van belanghebbende en van de Inspecteur tegen een uitspraak van Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/5393 tot en met 17/5396) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de kansspelbelasting over de tijdvakken gelegen tussen 1 januari 2011 tot en met 30 april 2017 en de bij de naheffingsaanslagen ten aanzien van het derde en vierde kwartaal van 2016 en ten aanzien van de eerste vier maanden van 2017 gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.