ECLI:NL:HR:2020:1447
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J. Koopman
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- M.E. van Hilten
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid voor vennootschapsbelasting na ontbinding BV ondanks termijnbetaling
Belanghebbende hield tot eind 2008 alle aandelen in een BV die in 2003 haar bedrijfsactiviteiten had gestaakt. In 2008 verkocht de BV haar onroerende zaken met een aanzienlijke winst. De BV werd op 23 juni 2011 ontbonden zonder baten en hield op te bestaan. In 2010 werd een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, gevolgd door een navorderingsaanslag in 2013. Belanghebbende werd op grond van artikel 40 van Pro de Invorderingswet aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde aanslagen.
Het geschil betrof of de BV op het moment van aansprakelijkstelling in gebreke was met betaling, aangezien de navorderingsaanslag binnen de termijn van één maand na de dagtekening van de aanslag werd opgelegd. Het Hof oordeelde dat de BV onherstelbaar in gebreke was omdat zij geen baten meer had en de aanslag was opgelegd na ontbinding.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de aansprakelijkgestelde niet kan tegenwerpen dat de aanslag niet bekend is gemaakt of dat de termijn nog niet was verstreken, gelet op de omstandigheden dat de BV was ontbonden en geen baten meer had. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de aansprakelijkheid van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting over 2008 ondanks ontbinding van de BV.