Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Slotsom
6.Beslissing
7 juli 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een militaire strafzaak tegen een adjudant/onderofficier van de Koninklijke Marechaussee die werd verdacht van opzettelijke schending van ambtsgeheim door het opvragen van informatie uit politiesystemen voor privédoeleinden.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte zijn ondergeschikte had doen opzoeken van een telefoonnummer (feit 1) en zelf informatie over strafrechtelijke onderzoeken en persoonsgegevens had opgevraagd (feit 2). Het hof oordeelde dat beide gedragingen schending van ambtsgeheim opleverden, ook al was de informatie niet gedeeld met derden.
De Hoge Raad oordeelt dat het opvragen van het telefoonnummer door de ondergeschikte (feit 1) wel schending van ambtsgeheim is en dat verdachte dit heeft doen plegen. Echter, het op zichzelf opvragen van informatie door verdachte voor zichzelf (feit 2) is geen schending van ambtsgeheim volgens de juiste uitleg van artikel 272 Sr Pro, die vereist dat geheime gegevens aan onbevoegden worden verstrekt.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het feit 2 en de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van feit 2 en strafoplegging.