Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
De verdachte, wachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee, werd door het hof veroordeeld wegens opzettelijke schending van een ambtsgeheim. Hij had in de periode maart 2015 tot oktober 2016 vertrouwelijke informatie over familie en vrienden uit geautomatiseerde systemen van de KMar voor privédoeleinden opgezocht.
Het hof oordeelde dat het enkel voor zichzelf ontsluiten van deze geheime informatie al een schending van het ambtsgeheim vormt, ook als de informatie niet met derden werd gedeeld. De verdediging stelde dat zonder openbaarmaking geen sprake was van schending.
De Hoge Raad stelde vast dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 272 Sr Pro volgt dat 'schenden' moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die daartoe onbevoegd is. Het enkel voor eigen gebruik ontsluiten van informatie valt hier niet onder. Daarom is het oordeel van het hof onjuist en vernietigt de Hoge Raad het arrest, waarna de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen wegens onjuiste uitleg van het begrip schending ambtsgeheim.