ECLI:NL:HR:2020:117

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
23 januari 2020
Zaaknummer
18/02896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder gevolgen in hoger beroep ramkraakzaak

In deze strafzaak over medeplegen van een ramkraak op een winkel met dure kleding heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee maanden was overschreden en verzocht om strafvermindering.

De Hoge Raad constateert dat het hof verzuimd heeft uitdrukkelijk te beslissen op dit verweer, wat een vormverzuim inhoudt. De Hoge Raad neemt het oordeel van de Advocaat-Generaal over dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, maar aangezien de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg minder dan vier jaar bedraagt, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.

De overige middelen van cassatie worden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is op 4 februari 2020 uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolgen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02896
Datum4 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2018, nummer 22/001260-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het vierde middel

2.1
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het namens de verdachte gedane beroep op overschrijding van de redelijke termijn.
2.2
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.3 is het middel terecht voorgesteld.
2.3
De Hoge Raad zal de zaak in zoverre zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep met twee maanden is overschreden. In aanmerking genomen dat de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg minder dan vier jaren bedraagt, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

3.Beoordeling van de overige middelen

Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2020.