Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak over medeplegen van een ramkraak op een winkel met dure kleding heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee maanden was overschreden en verzocht om strafvermindering.
De Hoge Raad constateert dat het hof verzuimd heeft uitdrukkelijk te beslissen op dit verweer, wat een vormverzuim inhoudt. De Hoge Raad neemt het oordeel van de Advocaat-Generaal over dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, maar aangezien de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg minder dan vier jaar bedraagt, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.
De overige middelen van cassatie worden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is op 4 februari 2020 uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolgen.