Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2010, waarbij het Hof Den Haag oordeelde dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet was geschonden ondanks een korte reactietermijn van drie dagen. Het Hof baseerde zich op het arrest Prequ’ Italia van het Hof van Justitie, dat toestaat dat voorafgaand horen kan worden beperkt als achteraf alsnog gehoord kan worden en de beperking proportioneel is.
De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van het verdedigingsbeginsel afhangt van de specifieke omstandigheden, zoals de aard van de maatregel en de mogelijkheid tot uitstel van betaling. De Hoge Raad wijst het oordeel van het Hof dat voorafgaand horen in alle gevallen kan worden achterwege gelaten zonder strikte voorwaarden af, maar oordeelt dat in dit concrete geval de korte reactietermijn en het dreigende risico van verjaring een rechtvaardiging vormen.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de Inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gegeven om te reageren, mede doordat uitstel van betaling mogelijk was. De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd.