Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1010

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2020
Publicatiedatum
4 juni 2020
Zaaknummer
19/01911
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof inzake onrechtmatige overheidsdaad en schadevergoeding

In deze zaak vordert eiser vergoeding van materiële en immateriële schade wegens een vermeende onrechtmatige overheidsdaad, bestaande uit zijn aanhouding en de inbeslagneming van goederen, gevolgd door publicatie van een persbericht op de website van de politie. De zaak werd uiteindelijk geseponeerd. Eiser stelt dat door deze handelingen reputatieschade is ontstaan en beroept zich op de onschuldpresumptie.

De rechtbank en het gerechtshof hebben eerder geoordeeld over de toerekenbaarheid van de schade en de rechtmatigheid van de overheidsdaad. Het hof wees de vorderingen af. Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is daarom verworpen en eiser is veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01911
Datum5 juni 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: A.H.H. Conradi-Vermeulen,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/09/502203/HA ZA 15-1411 van de rechtbank Den Haag van 21 september 2016;
de arresten in de zaak 200.206.083/01 van het gerechtshof Den Haag van 14 februari 2017 en 15 januari 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 15 januari 2019 beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 982,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
5 juni 2020.