Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“Met de aanhouding van een 47-jarige [eiser] verwacht de politie een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s”, gaat een sterke suggestie uit dat er een verband bestaat tussen het toegenomen aantal auto-inbraken in [plaats] , de in beslag genomen autoradio’s en de (sturende) rol van eiser bij dat alles. Gesteld noch gebleken is dat op dat moment, maar ook na afronding van het politieonderzoek, het dossier voldoende steun bood voor deze verstrekkende uiting. De Staat heeft de urgentie en de noodzaak om het persbericht op 19 maart 2013 om 8.00 uur te publiceren onvoldoende aannemelijk gemaakt (rov. 4.14).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
De onschuldpresumptie
fair trial-beginsel is neergelegd. Een inbreuk op de onschuldpresumptie kan daarom, afhankelijk van de omstandigheden, ook een schending opleveren van het eerste lid van art. 6 EVRM Pro. [5] Art 6 lid 2 EVRM Pro is alleen van toepassing op de procedure in strafzaken. Dit blijkt reeds uit de aanhef: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld (…).”
Allenet de Ribemont/Frankrijk [9] heeft het EHRM overwogen dat
freedom of expression, zoals gegarandeerd door art. 10 EVRM Pro, het recht waarborgt om informatie door te geven en te ontvangen, hetgeen betekent dat het publiek door de autoriteiten moet kunnen worden geïnformeerd over strafprocessen (par. 38). Art. 6 lid 2 EVRM Pro “
requires that they do so with all the discretion and circumspection necessary if the presumption of innocence is to be respected”, zo vervolgt het Hof. In de zaak die tot dit arrest heeft geleid hadden hoge politiefunctionarissen de klager “
without any qualification or reservation” aangeduid als “
one of the instigators of a murder and thus an accomplice in that murder”. Het EHRM oordeelde in par. 41: “
This was clearly a declaration of the applicant’s guilt which, firstly, encouraged the public to believe him guilty and, secondly, prejudged the assessment of the facts by the competent judicial authority.” Van zorgvuldigheid (
discretion) en behoedzaamheid (
circumspection) was geen sprake. Zodoende was sprake van schending van art. 6 lid 2 EVRM Pro.
Khuzhin/Rusland:
A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question.The Court has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (see Böhmer v. Germany, no. 37568/97, §§ 54 and 56, 3 October 2002, and Nešták v. Slovakia, no. 65559/01, §§ 88 and 89, 27 February 2007).” (cursivering toegevoegd).
Paulikas/Litouwen [10] heeft het EHRM deze lijn in de rechtspraak bevestigd. Daarbij overwoog het EHRM voorts:
Clickfonds-zaak [11] heeft de Hoge Raad overwogen dat aan de hand van
alle omstandigheden van het gevalmoet worden beoordeeld of sprake is van een inbreuk op het in art. 6 lid 2 EVRM Pro gewaarborgde recht. De Hoge Raad overwoog vervolgens:
Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolgingvan het College van Procureurs-Generaal van 2 juli 2002 is later vervangen. Op 1 mei 2012 is de Aanwijzing in werking getreden die thans nog geldt (hierna: de Aanwijzing). Deze gold ook ten tijde van het uitbrengen van het persbericht in 2013 in de onderhavige zaak. [12] In deze Aanwijzing, die is te beschouwen als recht in de zin van art. 79 RO Pro [13] , staat onder meer het volgende (voetnoten weggelaten in het citaat):
Kader
2.Privacywetgeving
3.Verstrekking van persoonsgegevens
4.Berichtgeving in onderzoeken en strafzaken
voorafgaandaan de beslissing om al dan niet tot perspublicatie over te gaan, een belangenafweging moet plaatsvinden. Volgens het middelonderdeel was deze vraag wel aan het hof voorgelegd. [14] Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat op grond van de Aanwijzing (onder het kopje “Privacybescherming en onderzoeksbelang”) en de jurisprudentie [15] die belangenafweging op voorhand moet plaatsvinden. Volgens eiser blijkt niet dat een voorafgaande belangenafweging heeft plaatsgevonden, zodat het oordeel dat de Staat jegens eiser niet onrechtmatig heeft gehandeld blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is zonder een nadere motivering.
voorafgaandaan de uitgifte van het persbericht een belangenafweging moet plaatsvinden. Het middelonderdeel maakt bovendien niet duidelijk welke relevante belangen volgens eiser bij die belangenafweging een rol hadden (moeten) spelen, in welk verband zij hadden moeten worden beoordeeld en waarom de afweging tekort zou schieten. Evenmin verwijst het middel naar vindplaatsen van stellingen van eiser dienaangaande in de processtukken van de procedure in hoger beroep. In zoverre voldoet de klacht niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld.
achteraftoepassing heeft willen geven aan de in onderdeel 1 verlangde belangenafweging. Onder verwijzing naar een passage uit de ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM inzake
Arrigo en Vella/Malta [16] wordt geklaagd dat het hof in dat geval miskent dat op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM in geval van een perspublicatie de
exacte woordkeuzevan de betreffende de Staat vertegenwoordigende ambtenaar uiterst relevant is. Het onderdeel klaagt dat de volgende oordelen berusten op een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn:
verwachtmet de aanhouding een einde te hebben gemaakt aan heling en/of diefstal van autoradio’s, voldoende terughoudend is van inhoud en toonzetting (rov. 5.3),
has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence”. Het benadrukken hiervan heeft te maken met het in alinea 2.4 hiervoor gecursiveerde onderscheid tussen een verdenking en de vaststelling dat de verdachte een hem ten laste gelegd strafbaar feit heeft begaan. Dat onderscheid heeft het hof niet uit het oog verloren. Voor zover de klacht anders inhoudt, mist zij feitelijke grondslag.
verklaringvan de politie dat eiser schuldig is aan heling en/of diefstal is in het persbericht geen sprake. De in het persbericht tot uitdrukking gebrachte verwachting berustte op feiten en omstandigheden, namelijk dat het aantal aangiften van diefstal uit auto’s in de weken vóór de aanhouding fors is gestegen en dat verschillende slachtoffers op een verkoopsite op internet hun goederen meenden te herkennen. Daarnaast stond in dit geding vast dat eiser op de dag van de publicatie van het persbericht afstand heeft gedaan van aantal goederen die van diefstal afkomstig bleken te zijn (rov. 2.4). De slotsom is dat onderdeel 2 niet tot cassatie leidt.
novum’) in cassatie; in elk geval verwijst het middelonderdeel niet naar plaatsen in de gedingstukken waar eiser dit zou hebben aangevoerd. Reeds daarom treft deze klacht geen doel.