ECLI:NL:HR:2020:1007

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
2 juni 2020
Zaaknummer
18/04774
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141.1 SrArt. 344a lid 3 SvArt. 360 lid 1 SvArt. 360 lid 4 SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsgebruik anonieme verklaring bij openlijke geweldpleging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake openlijke geweldpleging op 8 juni 2016 te Amsterdam. De verdachte werd verweten met anderen een taxichauffeur te hebben mishandeld, onder meer door slaan en gooien in de gracht.

Het geschil in cassatie betrof de vraag of het hof ten onrechte bewijs had gebruikt van een schriftelijk bescheid met een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, zoals bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv. Het hof had een proces-verbaal van bevindingen gebruikt waarin een centralist van het operationeel centrum van de politie verslag deed van een melding van een mogelijk onbekende melder.

De Hoge Raad oordeelde dat de term "persoon wiens identiteit niet blijkt" niet van toepassing is indien de persoon die de verklaring aflegt zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging zijn verhoor kan verzoeken. Het hof had terecht geoordeeld dat de centralist zodanig geïndividualiseerd kon worden en dat het gebruik van het proces-verbaal daarom niet onrechtmatig was.

Het cassatiemiddel werd verworpen en het beroep afgewezen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de motiveringsplicht van de rechter bij gebruik van anonieme verklaringen en verduidelijkte de reikwijdte van artikel 344a lid 3 Sv in relatie tot verklaringen van centralisten die informatie van mogelijk onbekende melders weergeven.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt bewijsgebruik van verklaring centralist in zaak openlijke geweldpleging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04774
Datum9 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 oktober 2018, nummer 23/004367-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op artikel 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zonder motivering voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 8 juni 2016 te Amsterdam, met anderen, op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan in de nek van voornoemde [slachtoffer] en het in de gracht gooien van voornoemde [slachtoffer] en vervolgens het gooien van fietsen naar voornoemde [slachtoffer] terwijl deze zich nog in de gracht bevond.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016124260-9 van 8 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 18-20).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op 8 juni 2016 omstreeks 20.03 uur kregen wij een melding dat er een taxichauffeur was welke was mishandeld. Hij zou in het water geduwd zijn en daarna kreeg hij fietsen naar zich toegegooid. Dit alles was gebeurd door een drietal jongens, mogelijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Er zou er één een staartje hebben en ze zouden trainingspakken dragen. De jongens zouden hierna in een auto van het merk Fiat zijn weggereden in de richting van de Rozengracht. De auto zou voorzien zijn van kenteken [AA-00-AA] (het hof begrijpt [AA-00-AA]).”
2.2.3
Het hof heeft voorts, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“Eén van de drie geweldplegers droeg het haar in een staartje volgens de aan de genoemde verbalisanten doorgegeven signalementen. De verdachte droeg op het moment dat de Fiat Punto werd stilgehouden zijn haar in een staartje. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard over zijn haardracht in de periode waarin het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden. De verdachte had het haar aan de zijkant opgeschoren en op het achterhoofd was het langer. Het zou kunnen dat hij ook een staartje droeg, aldus de verdachte.”
2.2.4
Tot de stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt behoort het proces-verbaal van bevindingen waaraan het onder 2.2.2 genoemde bewijsmiddel is ontleend. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
“Op woensdag 8 juni 2016 omstreeks 20:03 bevonden wij ons, verbalisanten, in uniform gekleed, met auto-surveillance belast, op de burgemeester Roellstraat te Amsterdam. Wij, verbalisanten, hoorden portofonisch dat een eenheid in de binnenstad van Amsterdam een melding kreeg van het Operationeel Centrum. De melding was dat er een taxichauffeur was welke was mishandeld. Hij zou in het water geduwd zijn en daarna kreeg hij fietsen naar zich toegegooid. Dit alles was gebeurd door een drietal jongens. Deze jongens waren mogelijk van Noord-Afrikaanse afkomst. Er zou een (1) een staartje hebben en ze zouden trainingspakken dragen. De jongens zouden hierna in een blauwe auto, van het merk Fiat, zijn weggereden in de richting van de Rozengracht. De auto zou voorzien zijn van kenteken [AA-00-AA].”
2.3.1
Op grond van artikel 360 lid 1 en Pro lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan, en verder dat hij ervan blijk moet geven dat hij zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring heeft onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460).
2.3.2
De term “een persoon wiens identiteit niet blijkt” omvat niet personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken (vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195).
2.4.1
Het hof heeft voor het bewijs gebruikt het proces-verbaal van bevindingen houdende de weergave door de verbalisanten van door een centralist van het operationeel centrum van de politie verstrekte informatie, van welke centralist de persoonsgegevens niet in dat proces-verbaal zijn opgenomen. De desbetreffende informatie houdt onder meer in dat de centralist verslag doet over een melding van een – mogelijk – onbekend gebleven persoon.
2.4.2
Het hof is kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan uitgegaan dat niet is gebleken dat de identiteit van die persoon niet bij de politie kan worden achterhaald. Gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat die centralist zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige kon verzoeken – zo nodig ook over de identiteit van degene die de informatie aan het operationeel centrum heeft verstrekt – en dat dus geen sprake is van een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv.
2.4.3
Anders dan het middel veronderstelt, doet hieraan niet af de mogelijkheid dat het proces-verbaal van bevindingen een verklaring bevat van de centralist over wat deze van een onbekend gebleven persoon heeft vernomen (vgl. HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8925).
2.5
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, J.C.A.M. Claassens, M.T. Boerlage en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juni 2020.