ECLI:NL:HR:2020:1002
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen 2010-2014
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 juli 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag inzake belastingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2014, alsmede beschikkingen over heffings- en belastingrente, heeft behandeld.
De Hoge Raad heeft de aangevoerde middelen beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. Omdat de beoordeling van de middelen geen vragen oproept die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 5 juni 2020 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.