Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een bewindvoerder die meerdere keren werd veroordeeld voor witwassen. Hij had als bewindvoerder van zijn tante voor de belastingdienst verzwegen dat er grote geldbedragen op Luxemburgse bankrekeningen stonden. Vervolgens nam hij deze zwarte geldbedragen van €100.000 en €231.300,83 contant op en overhandigde deze aan zijn moeder.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat hij een beroep kon doen op de inkeerregeling op grond van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Daarnaast voerde hij aan dat het hof ten onrechte had geoordeeld over zijn wetenschap omtrent het overdragen van zwart geld en de uitleg van 'omzetten' of 'overdragen' in de zin van artikel 420bis Sr.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord. Tevens werd een klacht over het niet betrekken van een feit van valsheid in geschrift verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor witwassen.