Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte wegens schending van zijn aanwezigheidsrecht. Verdachte was op 2 maart 2017 overgeleverd aan Letse autoriteiten terwijl tegen hem in Nederland nog een hoger beroep aanhangig was. Zowel vóór als na de overlevering heeft de raadsman van verdachte herhaaldelijk aan Nederlandse autoriteiten kenbaar gemaakt dat verdachte zijn aanwezigheidsrecht wilde uitoefenen en heeft hij inspanningen verricht om de aanwezigheid van verdachte bij de zittingen te bewerkstelligen.
Het hof oordeelde dat onder verantwoordelijkheid van het OM het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde aanwezigheidsrecht was geschonden, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging. De Hoge Raad stelt echter dat het hof niet heeft vastgesteld of het aanwezigheidsrecht alsnog kon worden effectueren en of sprake was van een onherstelbare inbreuk, waardoor het oordeel niet begrijpelijk is. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat als hoofdregel geldt dat indien verdachte in het buitenland is gedetineerd en niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, het onderzoek ter terechtzitting niet wordt voortgezet.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. De Advocaat-Generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing. Dit arrest bevestigt het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en de zorgvuldigheid die het OM moet betrachten bij overlevering en vervolging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende vaststelling omtrent de schending van het aanwezigheidsrecht.