ECLI:NL:HR:2019:363

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2019
Publicatiedatum
14 maart 2019
Zaaknummer
17/05607
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet ROArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen gegrond verzet in belastingzaak

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland die zijn verzet tegen naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting gegrond verklaarde. De Rechtbank had het beroep op bezwaar eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

De Rechtbank verklaarde het verzet gegrond, maar wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af, omdat de noodzaak tot verzet uit de eigen handelwijze van belanghebbende voortvloeide. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de wet geen beroep in cassatie openstaat tegen een uitspraak waarbij het verzet gegrond is verklaard, ook niet tegen beslissingen over proceskosten in die uitspraak.

De Hoge Raad benadrukte dat de rechtbank vrijstaat om de beslissing over proceskosten in een latere uitspraak te nemen, waartegen dan wel hoger beroep mogelijk is. Om rechtsbescherming gelijk te houden, wordt een beslissing over proceskosten in de uitspraak op het verzet geacht deel uit te maken van de latere uitspraak. Het beroep in cassatie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen cassatieberoep openstaat tegen een gegrond verklaard verzet, ook niet tegen de beslissing over proceskosten.

Uitspraak

15 maart 2019
Nr. 17/05607
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 17 oktober 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 5 april 2017, nrs. AWB 16/7406 tot en met AWB 16/7408. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 12 december 2018 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie. (ECLI:NL:PHR:2018:1372).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank beroep ingesteld tegen door de Inspecteur gedane uitspraken op bezwaren die belanghebbende had gemaakt tegen drie aan hem opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting. Op 5 april 2017 heeft de Rechtbank die beroepen met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro bij in één geschrift vervatte uitspraken niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
2.1.2.
De Rechtbank heeft bij haar in cassatie bestreden uitspraak van 17 oktober 2017 het verzet van belanghebbende tegen de uitspraken van 5 april 2017 met toepassing van artikel 8:55 Awb Pro gegrond verklaard. Daarbij heeft de Rechtbank geoordeeld dat aan belanghebbende niet een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten die hij in verband met de behandeling van het verzet heeft moeten maken. Volgens de Rechtbank vloeide de noodzaak tot het doen van verzet uitsluitend voort uit de handelwijze van belanghebbende.
2.2.
Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie in samenhang gelezen met artikel 28, lid 2, AWR staat tegen de uitspraak van de rechtbank op verzet in een belastingzaak alleen beroep in cassatie open indien het verzet a) niet-ontvankelijk is verklaard, of b) ongegrond is verklaard. Geen beroep in cassatie staat open tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij het verzet gegrond is verklaard (vgl. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:460). Dat wordt niet anders indien een uitspraak op verzet tevens een beslissing bevat op een verzoek om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het verzet zijn gemaakt.
2.3.1.
Opmerking verdient dat het voorgaande niet meebrengt dat tegen een dergelijke beslissing van de rechtbank geen enkel rechtsmiddel openstaat.
2.3.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:225, rechtsoverweging 1.2, geoordeeld dat het de rechtbank vrijstaat om een veroordeling in de proceskosten wegens de gegrondverklaring van het verzet pas vast te stellen in de uitspraak waarin na de gegrondverklaring van het verzet op het beroep wordt beslist, maar dat het de voorkeur verdient dat de rechtbank een eventuele veroordeling in die kosten al opneemt in de uitspraak waarin zij op het verzet beslist. Hetzelfde geldt met betrekking tot een beslissing van de rechtbank om de inspecteur niet te veroordelen in de kosten van het verzet.
2.3.3.
Als de rechtbank bij gegrondverklaring van het verzet in de uitspraak op dat verzet tevens beslist over de kosten van het verzet staat tegen die uitspraak – gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen – geen rechtsmiddel open. Beslist de rechtbank daarover pas in haar uitspraak waarin na de gegrondverklaring van het verzet op het beroep wordt beslist, dan kan tegen die beslissing worden opgekomen door het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Zonder nadere voorziening zou dit tot gevolg hebben dat de keuze van de rechtbank om over de kosten van het verzet al dan niet te beslissen in de uitspraak op het verzet, een verschil in rechtsbescherming doet ontstaan met betrekking tot die beslissing. Om dit onwenselijke gevolg weg te nemen, moet in gevallen waarin de rechtbank het verzet gegrond verklaart en in diezelfde uitspraak beslist over de kosten van het verzet, die beslissing voor de toepassing van de regeling voor het hoger beroep worden geacht deel uit te maken van de uitspraak van de rechtbank waarin na het verzet op het beroep wordt beslist. Daardoor kan ook in die gevallen de beslissing over de kosten van het verzet ter discussie worden gesteld door hoger beroep tegen die uitspraak in te stellen.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2019.