In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de bestuursrechter die het verzet van belanghebbende gegrond verklaarde. Volgens artikel 28, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen uitspraken op verzet zoals bedoeld in artikel 8:55, lid 7, letters a en b, van de Algemene wet bestuursrecht. De onderhavige uitspraak, die het verzet gegrond verklaart, valt hier niet onder, waardoor het beroep in cassatie niet-ontvankelijk is verklaard.
Daarnaast heeft de Hoge Raad overwogen dat het de voorkeur verdient dat de rechter een veroordeling in proceskosten wegens de gegrondverklaring van het verzet reeds opneemt in de uitspraak waarin hij op het verzet beslist. Echter staat het de rechter vrij om deze kostenvergoeding pas vast te stellen in de uitspraak waarin na de gegrondverklaring van het verzet op het beroep wordt beslist. In deze zaak achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard en daarmee bevestigd dat tegen een uitspraak die het verzet gegrond verklaart geen cassatieberoep openstaat. Dit arrest is gewezen door de raadsheren Schaap, Groeneveld en Van Hilten en op 12 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.