De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor naheffingen loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode mei 2005 tot en met december 2007.
Na eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad werd de zaak opnieuw behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belanghebbende stelde acht middelen in cassatie tegen het hofarrest. De Advocaat-Generaal adviseerde tot ongegrondverklaring, maar de Hoge Raad oordeelde anders.
De Hoge Raad stelde vast dat uit de stukken geen feiten of omstandigheden blijken die aantonen dat het onbetaald blijven van de naheffingsaanslag te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende in de drie jaren voorafgaand aan de melding van betalingsonmacht. Hierdoor faalt het bewijs van de ontvanger zoals vereist in artikel 36, lid 3, Invorderingswet 1990. De beschikking tot aansprakelijkstelling werd daarom vernietigd.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en droeg op het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 22 februari 2019.