ECLI:NL:HR:2019:285

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2019
Publicatiedatum
21 februari 2019
Zaaknummer
18/00984
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 3 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking tot aansprakelijkstelling wegens gebrek aan bewijs kennelijk onbehoorlijk bestuur

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor naheffingen loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode mei 2005 tot en met december 2007.

Na eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad werd de zaak opnieuw behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belanghebbende stelde acht middelen in cassatie tegen het hofarrest. De Advocaat-Generaal adviseerde tot ongegrondverklaring, maar de Hoge Raad oordeelde anders.

De Hoge Raad stelde vast dat uit de stukken geen feiten of omstandigheden blijken die aantonen dat het onbetaald blijven van de naheffingsaanslag te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende in de drie jaren voorafgaand aan de melding van betalingsonmacht. Hierdoor faalt het bewijs van de ontvanger zoals vereist in artikel 36, lid 3, Invorderingswet 1990. De beschikking tot aansprakelijkstelling werd daarom vernietigd.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en droeg op het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 22 februari 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot aansprakelijkstelling wegens onvoldoende bewijs van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Uitspraak

22 februari 2019
Nr. 18/00984
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 6 februari 2018, nr. 16/01501, betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] nageheven loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode 13 mei 2005 tot en met 31 december 2007.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016, nr. 16/01533, ECLI:NL:HR:2016:2724, verbeterd bij arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2017, nr. 16/01533, ECLI:NL:HR:2017:11, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (nr. 13/00893), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij acht middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 13 december 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1374).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
Middel 5 slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/00983.
3.2.
Middel 8 faalt op de gronden vermeld in onderdeel 10.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De middelen 1 tot en met 4, 6 en 7 behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit de uitspraak van het Hof en de gedingstukken blijken geen feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat het aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende in de periode van drie jaren, voorafgaand aan de melding van betalingsonmacht, is te wijten dat de naheffingsaanslag onbetaald is gebleven. Dit leidt tot de slotsom dat de Ontvanger niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs als bedoeld in artikel 36, lid 3, van de Invorderingswet 1990. De beschikking tot aansprakelijkstelling moet daarom worden vernietigd.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/00983 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover deze de beschikking tot aansprakelijkstelling betreffen,
vernietigt de uitspraak van de Ontvanger,
vernietigt de beschikking tot aansprakelijkstelling,
draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 126 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.456, derhalve € 1.728, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019.