ECLI:NL:HR:2019:262

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
19 februari 2019
Zaaknummer
18/01077
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verdachte in cassatie wegens niet-indienen middelen

De verdachte is in cassatie gegaan tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak betreffende een terroristische aanslag op een moskee in Enschede. Ondanks het instellen van het beroep heeft de verdachte geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld.

Het arrest is uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, tijdens een openbare terechtzitting op 19 februari 2019. Hiermee is het hoger beroep in cassatie definitief afgesloten zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie.

Uitspraak

19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 18/01077
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 februari 2018, nummer 21/005894-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 februari 2019.