Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
3.Beoordeling van het middel
5 maart 2019.
Hoge Raad
De verdachte sloeg zijn partner, met wie hij ruim anderhalf jaar een relatie had, meerdere malen met kracht tegen haar borst en gezicht, waardoor zij letsel opliep. De mishandeling vond plaats tussen 30 mei en 12 juni 2014 in Someren. De rechtbank en het hof hadden de verdachte veroordeeld, waarbij het hof oordeelde dat het slachtoffer als 'levensgezel' in de zin van art. 304 Sr Pro kon worden aangemerkt, wat een strafverzwarende omstandigheid is.
De Hoge Raad stelde in cassatie vast dat de motivering van het hof onvoldoende was om te concluderen dat het slachtoffer als levensgezel kon worden beschouwd. De bewijsmiddelen bevatten geen nadere informatie over de aard en hechtheid van de persoonlijke betrekking tussen verdachte en aangeefster, zoals vereist volgens de wetsgeschiedenis en de toelichting bij art. 304 Sr Pro.
De Hoge Raad verwees naar de toelichting bij de wet waarin het begrip 'levensgezel' wordt uitgelegd als een nauwe persoonlijke betrekking die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners, waarbij aspecten als gemeenschappelijke huishouding en affectieve relatie van belang zijn. Omdat het hof hier onvoldoende op was ingegaan, werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
Het overige cassatiemiddel werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het belang van een zorgvuldige motivering bij het toepassen van de strafverzwarende omstandigheid van mishandeling jegens een levensgezel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de kwalificatie als mishandeling tegen een levensgezel en de strafoplegging.