Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
12 februari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 oktober 2017, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen wegens medeplegen van het verstrekken en aanwezig hebben van hennep.
De kern van het geschil betreft de toepassing van de methode van eenvoudige kasopstelling en de abstracte voordeelsberekening met betrekking tot hennep, waarbij onder meer is vastgesteld dat contante stortingen van vóór 4 september 2012 niet mogen worden meegenomen in de kasopstelling.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde middelen niet leiden tot cassatie en dat er geen aanleiding is tot nadere motivering omdat de rechtsvragen niet in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoorden.
Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.