Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1893

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
18/02115
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 288 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging gekwalificeerde doodslag

De zaak betreft het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor poging tot gekwalificeerde doodslag. De feiten betreffen het meermalen steken van de aangever met een mes in de schouder en rug, met het oog op het vergemakkelijken van diefstal uit diens woning.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die de rechtseenheid of rechtsontwikkeling dienen, behalve het middel dat klaagt over overschrijding van de redelijke termijn. Dit middel wordt gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.

Als gevolg daarvan vernietigt de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar naar zes jaar en negen maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zeven jaar naar zes jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02115
Datum3 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 mei 2018, nummer 21/002508-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegen de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 december 2019.