Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
3 december 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor poging tot gekwalificeerde doodslag. De feiten betreffen het meermalen steken van de aangever met een mes in de schouder en rug, met het oog op het vergemakkelijken van diefstal uit diens woning.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die de rechtseenheid of rechtsontwikkeling dienen, behalve het middel dat klaagt over overschrijding van de redelijke termijn. Dit middel wordt gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Als gevolg daarvan vernietigt de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar naar zes jaar en negen maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zeven jaar naar zes jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.