ECLI:NL:HR:2019:1525
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over vergoeding wettelijke rente griffierecht bij belastingzaak
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag en boetebeschikking in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland en hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.
Het geschil betrof onder meer de vergoeding van griffierecht en de daarover verschuldigde wettelijke rente bij vertraging in de terugbetaling van het griffierecht dat in hoger beroep was betaald. Het hof had het verzoek van belanghebbende om rentevergoeding afgewezen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte geen beslissing had genomen over de rentevergoeding en verwees naar eerdere arresten waarin is bepaald dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf vier weken na de uitspraak van het hof. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de rentevergoeding betrof, en bepaalde dat de Staatssecretaris het griffierecht en de wettelijke rente moet vergoeden.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatieberoep. De zaak werd daarmee definitief beslecht.
Uitkomst: De Hoge Raad beslist dat wettelijke rente over het griffierecht verschuldigd is vanaf vier weken na de uitspraak van het hof en veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van griffierecht, rente en proceskosten.