Uitspraak
wonende te [woonplaats 1] , België,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 september 2019.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van de executeur in de nalatenschap van een overledene, gericht tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De kern van het geschil draait om de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing in het kader van beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 19 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2738), en bevestigt dat de in het middel aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. De klachten behoeven geen nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
Het beroep wordt verworpen en de executeur wordt veroordeeld in de proceskosten, waarbij de kosten aan de zijde van de verweerders worden gespecificeerd. Hiermee wordt de rechtsgang voortgezet binnen de kaders die door de Hoge Raad zijn gesteld omtrent de afwikkeling van nalatenschappen en de procesrechtelijke grenzen na cassatie en verwijzing.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de executeur wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.