ECLI:NL:HR:2019:1191
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep bij de Belastingdienst. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees deze vergoeding toe, maar de Hoge Raad stelde vast dat de vergoeding onvoldoende was en dat ook wettelijke rente over het griffierecht moest worden toegekend.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de vergoeding van immateriële schade en de rente betrof. De vergoeding werd verhoogd tot in totaal €3.500, verdeeld over de Inspecteur en de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid). Tevens werd bepaald dat wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank, het hof en de Hoge Raad zelf verschuldigd is indien de vergoeding niet tijdig wordt betaald.
Daarnaast werd het griffierecht voor het cassatieberoep verdeeld en vergoed door de Staatssecretaris van Financiën en de Staat. Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van tijdige en volledige vergoeding van immateriële schade en bijkomende kosten bij overschrijding van redelijke termijnen.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade tot €3.500 en bepaalt wettelijke rente en griffierechtvergoeding.