Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens meervoudige diefstal van parfums en kleding in Roermond in juli 2015. Het hof motiveerde de straf onder meer door te wijzen op de professionele aard van de misdaad en de recidive van de verdachte, die eerder onherroepelijk was veroordeeld voor soortgelijke feiten in andere plaatsen.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte niet-onherroepelijke eerdere veroordelingen had betrokken bij de strafoplegging. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en bevestigt dat het hof terecht rekening hield met de recidive en professionele aard van de misdaad, ook al waren sommige eerdere veroordelingen nog niet onherroepelijk ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de strafmotivering toereikend heeft gegeven en dat het betrekken van niet-onherroepelijke feiten in dit geval niet onrechtmatig was. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de straf van vier maanden gevangenisstraf ongewijzigd blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van vier maanden wegens meervoudige diefstal.