Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 161 hennepplanten in een woonboot die zij samen met haar echtgenoot bewoonde en mede bezat.
Het hof baseerde zijn oordeel op meerdere bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van bevindingen, verklaringen van verbalisanten, een representatief monster getest op THC, en verklaringen van verdachte en haar echtgenoot. Het hof stelde vast dat verdachte wist van de hennepkwekerij, dat haar echtgenoot het plan vooraf met haar had besproken, en dat zij de aanwezigheid van de hennepplanten willens en wetens heeft geaccepteerd.
Verdediging voerde aan dat verdachte geen toestemming had gegeven en vanwege ziekte niet in staat was iets tegen de plantage te ondernemen, maar dit verweer werd door het hof verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn bewezenverklaring voldoende heeft gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
De uitspraak bevestigt dat medeplegen kan worden bewezen door een nauwe en bewuste samenwerking, ook als de verdachte niet direct betrokken was bij het telen, maar wel op de hoogte was en de aanwezigheid accepteerde in een gezamenlijke woning.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd dat verdachte medepleger is van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.