Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
25 mei 2018.
Hoge Raad
In deze zaak werd verweerder op verzoek van Rabobank in staat van faillissement verklaard door de rechtbank Rotterdam. In hoger beroep stelde verweerder dat hij met vrijwel alle schuldeisers een regeling had getroffen onder de voorwaarde dat het faillissement zou worden vernietigd, en dat de vorderingen van schuldeisers zonder regeling alsnog voldaan zouden worden via een schenking van zijn zus.
Het hof vernietigde het faillissement en wees het verzoek tot faillietverklaring af, stellende dat de steunvorderingen conform afspraken zouden worden voldaan en dat niet summierlijk bleek van overige schuldeisers. Tevens oordeelde het hof dat het pluraliteitsvereiste niet meer was voldaan. Rabobank stelde dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door de reactie van de curator zonder mogelijkheid tot reactie mee te wegen.
De Hoge Raad overwoog dat partijen afstand hadden gedaan van hoor en wederhoor door een expliciete afspraak over de volgorde van schriftelijke uitlatingen na de mondelinge behandeling. Wel stelde de Hoge Raad dat het hof onjuist had geoordeeld dat het pluraliteitsvereiste niet meer was voldaan, omdat de steunvorderingen nog bestonden ten tijde van het arrest, ook al zouden zij pas na vernietiging worden voldaan.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beantwoording van de vraag of verweerder daadwerkelijk in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, zoals vereist voor faillietverklaring.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak naar gerechtshof Amsterdam voor nader onderzoek naar faillissementsvereisten.