De Hoge Raad heeft in dit arrest van 24 april 2018 de bestaande gewoonteregel heroverwogen die ambtshalve beperking van cassatieberoepen in strafzaken met meerdere cumulatieve tenlasteleggingen voorschrijft. De Hoge Raad oordeelt dat het niet langer op zijn weg ligt om zonder nader onderzoek het beroep ambtshalve te beperken en dat hij zich kan concentreren op de beslissingen waartegen het cassatieschriftuur zich richt. Deze regel blijft echter van toepassing voor schrifturen ingediend vóór 1 juli 2018.
In de onderhavige zaak ging het om een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin zij werd veroordeeld voor witwassen van diverse geldbedragen en goederen. Het hof stelde vast dat verdachte een geldbedrag van € 13.451,81 voorhanden had dat vermoedelijk uit een misdrijf afkomstig was en dat zij geen concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven voor de herkomst daarvan.
Namens verdachte was aangevoerd dat het bedrag bestond uit schadevergoedingen en verzekeringsuitkeringen in de periode 2003-2007. Het hof had dit verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat de verdachte wel degelijk stukken had overgelegd ter onderbouwing van haar verklaring.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betrekking heeft op de bewezenverklaring en strafoplegging met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde witwassen en de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening. Het beroep wordt voor het overige verworpen.