Belanghebbende is eigenaar van een vakantiepark bestaande uit 40 comforthomes/chalets, 86 stacaravans en een kampeerterrein met diverse voorzieningen. De gemeente Valkenswaard legde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) op, waarbij werd aangenomen dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning diende.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de recreatiewoningen als woningen moeten worden aangemerkt omdat zij geschikt en bestemd zijn voor duurzame menselijke bewoning. Het hof stelde vast dat meer dan 81,9% van de waarde van de onroerende zaak aan woondoeleinden toerekenbaar was, waardoor de zaak in hoofdzaak tot woning dient. Het hof vernietigde de aanslag voor de gebruiker en paste het tarief voor woningen toe voor de eigenaar.
De gemeente stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte het geschiktheidscriterium toepaste in plaats van het bestemmingscriterium en dat het hof onjuiste uitgangspunten hanteerde bij de waardebepaling van voorzieningen. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde dat het geschiktheidscriterium geldt voor de vraag of een opstal als woning moet worden aangemerkt, en stelde dat de waarde van de recreatiewoningen inclusief direct daaraan toe te rekenen grond meer dan 70% van de totale waarde uitmaakt. Daarmee dient de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de gemeente werd veroordeeld in de proceskosten.