ECLI:NL:HR:2018:258

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 februari 2018
Publicatiedatum
21 februari 2018
Zaaknummer
17/00645
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66 SuccessiewetArt. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 5 Wet algemene bepalingen
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking navordering erfbelasting bij nalatenschappen van voor 1985

Belanghebbende was erfgenaam van een nalatenschap van een erflater die in 1981 is overleden. In 1982 werd aangifte gedaan voor het recht van successie, zonder melding van buitenlands vermogen. Pas in 2011 werd dit buitenlandse vermogen gemeld, waarna in 2013 een navorderingsaanslag werd opgelegd.

Het geschil betrof de vraag of de Inspecteur bevoegd was deze navorderingsaanslag op te leggen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat vanwege de wetswijziging per 8 juni 1991, die de navorderingstermijn aanpaste, navordering voor nalatenschappen van vóór 1985 slechts binnen twaalf jaar na overlijden mogelijk is. De bevoegdheid tot navorderen was daarmee vervallen.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat het overgangsrecht de oude regeling in stand hield en dat navordering tot vijf jaar na ontdekking van onjuistheden mogelijk bleef. De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal dat de eerdere wettelijke regeling geen betekenis meer heeft in dit geval. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat navordering van erfbelasting over nalatenschappen van vóór 1985 niet meer mogelijk is.

Uitspraak

23 februari 2018
nr. 17/00645
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 3 januari 2017, nr. 15/00597, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/2368) betreffende een aan
[X3]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in het recht van successie. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 21 december 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1460).
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is tezamen met twee anderen erfgenaam van [A], die in 1981 is overleden (hierna: erflater). Ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap heeft belanghebbende in 1982 aangifte voor het recht van successie gedaan. Daarin is geen melding gemaakt van door erflater in het buitenland aangehouden vermogen.
2.1.2.
In december 2011 heeft belanghebbende het bestaan van buitenlands vermogen aan de Inspecteur gemeld. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende met dagtekening 18 februari 2013 een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd met als grondslag zijn aandeel in dit vermogen (hierna: de navorderingsaanslag).
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslag op te leggen.
2.2.2.
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de wetswijziging met ingang van 8 juni 1991, waarbij zowel artikel 16 AWR Pro als artikel 66 Successiewet Pro (hierna: SW) zijn aangepast, tot gevolg heeft gehad dat de tot 1 januari 1985 geldende tekst van artikel 66 SW Pro zijn betekenis heeft verloren voor gevallen als het onderhavige waarbij het overlijden plaatsvond voor 1985, zodat navordering slechts mogelijk was binnen twaalf jaar na dat overlijden. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de bevoegdheid tot navorderen in dit geval was vervallen.
2.3.1.
Tegen het in 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof richt zich het middel met de stelling dat op grond van het overgangsrecht het tot 1 januari 1985 geldende artikel 66 SW Pro van toepassing is gebleven voor overlijdensgevallen van voor 1 januari 1985 en dat latere wetswijzigingen daar niet aan afdoen. Daarom is navordering mogelijk tot vijf jaar na de datum waarop de inspecteur op de hoogte komt van de onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte, aldus het middel.
2.3.2.
Artikel 5 van Pro de Wet algemene bepalingen bepaalt, voor zover hier van belang, dat een wet door een latere wet haar kracht kan verliezen. Artikel 66 SW Pro is met ingang van 8 juni 1991 vervangen. Op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 5.27 tot en met 5.29 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, komt aan de eerdere wettelijke regeling in een geval als het onderhavige geen betekenis meer toe. Het middel faalt.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 17/00646 en 17/00649 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 376, derhalve € 125,33, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 501.