Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 februari 2018. Dit arrest betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over aanslagen toeristenbelasting voor de jaren 2013 en 2014 en een voorlopige aanslag voor 2015.
Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant diende een verweerschrift in. De Hoge Raad beoordeelde de twee door belanghebbende voorgestelde middelen, maar oordeelde dat deze geen aanleiding gaven tot cassatie. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 21 december 2018.