Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 januari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of het verbod van artikel 268, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) toepasselijk is op het hoger beroep wanneer de voorzitter van de strafkamer, tevens raadsheer-commissaris, voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting enig onderzoek heeft verricht. De verdachte stelde dat dit verbod niet was nageleefd, waardoor sprake zou zijn van nietigheid wegens het ontbreken van een onpartijdige rechterlijke instantie.
De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en concludeerde dat de wetgever niet heeft beoogd het verbod van artikel 268, tweede lid, Sv op het rechtsgeding in hoger beroep van toepassing te verklaren. Dit betekent dat het optreden van een raadsheer-commissaris die voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting een beslissing neemt over het horen van getuigen niet leidt tot nietigheid van de behandeling in hoger beroep.
Wel merkt de Hoge Raad op dat onder bijzondere omstandigheden het deelnemen van een raadsheer die als raadsheer-commissaris enig onderzoek heeft verricht aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kan leiden tot schending van het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. In dit geval was het onderzoek beperkt tot het nemen van een beslissing voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, wat niet leidt tot een onpartijdigheidsprobleem.
Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat art. 268 lid 2 Sv niet van toepassing is op het hoger beroep in deze context.