ECLI:NL:HR:2018:1908

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2018
Publicatiedatum
11 oktober 2018
Zaaknummer
17/04690
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:84 lid 1 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over eigendomsgeschil paard en stelplicht bewijs

In deze zaak stond een geschil over de eigendom van een paard centraal tussen eiser en verweerder, beiden woonachtig in Duitsland. De procedure doorliep de rechtbank Limburg en het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij het hof een arrest wees dat in cassatie werd aangevochten.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, waarbij verweerder een verweerschrift indiende. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof voor de feitelijke gang van zaken. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de stelplicht en het adequaat bewijsaanbod in procedures over goederenrechtelijke eigendomsgeschillen, conform artikel 3:84 lid 1 BW Pro en artikel 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

12 oktober 2018
Eerste Kamer
17/04690
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] , Duitsland,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] , Duitsland,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/04/119990/HA ZA 12-379 van de rechtbank Limburg van 8 mei 2013 en 5 augustus 2015;
b. het arrest in de zaak 200.184.318/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 395,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 oktober 2018.