2.13.1In eerste aanleg stelt [eiser] zich in zijn CvA/CvE in reconventie (nrs. 4-7) op het standpunt dat hij eigenaar is van het paard VIP:
“4. [eiser] is de enige en rechtmatige eigenaar van het paard VIP.
[eiser] heeft dit paard gekocht van de voormalige rechtmatige eigenaar, [C], [plaats], en wel voor een koopsom van € 110.000,-.
[eiser] overlegt als
productie 1de factuur van [C] aan hem van 05 juni 2009. Uit deze factuur blijkt zowel van de naam van het paard (“VIP”), de afstamming, de geboortedatum, alsook het levensnummer. [eiser] verwijst ook naar productie 2 van de dagvaarding, zijnde het stamboekpapier van het paard VIP, waaruit blijkt van dezelfde gegevens.
De koopsom van € 110.000,- is deels betaald met een aanbetaling in contanten van € 20.000,-, welk bedrag [eiser] aan [C] heeft betaald. Het restantbedrag van € 90.000,- heeft [eiser] betaald middels cheque met nummer 26316933, van 19 juni 2009. [eiser] overlegt als
productie 2afschrift van zijn bankrekening bij de Sparkasse Köln, waaruit blijkt dat dit bedrag van € 90.000,-, te vermeerderen met “
Abwicklungsgebühren” ad € 135,-, op 07 juli 2009 zijn afgeschreven ten gunste van [C].
Na ontvangst van het volledige bedrag van € 110.000,- heeft [C] het paard VIP in eigendom overgedragen en ook feitelijk ter hand gesteld van [eiser]. In dat kader zijn geen papieren door [C] aan [eiser] ter hand gesteld. [eiser] weet noch wist of deze papieren er waren en zo ja, of [C] deze aan [betrokkene 1] ter hand heeft gesteld. (…)
[betrokkene 1] is als bemiddelaarster opgetreden met betrekking tot deze verkoop tussen [C] en [eiser], zulks op verzoek van [eiser].
[eiser] biedt, naast de reeds door hem in geding gebrachte schriftelijke bewijzen, ook bewijs aan door het doen horen van getuigen, meer bepaald [eiser], zijn echtgenote, alsook de verkoper, [C].
6. Zoals al gezegd heeft [eiser] het paard “VIP” in juni 2009 gekocht van [C]. Vervolgens heeft [eiser] het paard “VIP”, conform de afspraak met [betrokkene 1], [...] via haar bemiddeling laten stallen, verplegen en laten trainen bij en door derden. Dat gebeurde langere tijd zowel in Duitsland (in Velbert bij [betrokkene 4] en in München) en ook in Nederland (bij [betrokkene 2]). [betrokkene 1] heeft [eiser] ook op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van “VIP” middels het toezenden van video’s of daadwerkelijke bezichtiging door [eiser].
7. In juli 2011 is het paard “VIP” via bemiddeling van [betrokkene 1] gestald bij [betrokkene 2] (Nederland) om daar verzorgd en getraind te worden. [betrokkene 2] zou voor [eiser] ook uitkijken naar een koper voor het paard “VIP”.
Zoals al aangegeven hield dit verband met de tussen [eiser] en [betrokkene 1] gemaakte afspraken. De bedoeling was om te investeren in een paard, dat paard vervolgens [t]e verzorgen en te trainen en het paard vervolgens met winst door te verkopen.
Omdat [eiser] als investering al € 110.000,-- had betaald aan [C] om de eigendom te verwerven van het paard “VIP”, en na twee jaar het paard “VIP” nog niet verkocht was, zou [betrokkene 1] de kosten van de verzorging en training van het paard “VIP” verder voorschieten.
Indien het paard “VIP” vervolgens verkocht zou worden, zou van de koopsom eerst aan [eiser] de investering van € 110.000,-- en verdere door [eiser] gemaakte kosten worden terugbetaald en aan [betrokkene 1] de door haar voorgeschoten kosten van training en verzorging, waarna de overwinst tussen [eiser] en [betrokkene 1] zou worden verdeeld.”
In dit processtuk biedt [eiser] (CvA nr. 44) ook bewijs aan met betrekking tot zijn stelling dat hij de eigenaar is van het paard:
“(…) Met betrekking tot de eigendom van [eiser] biedt [eiser] daarvan bewijs aan middels het doen horen van getuigen, waaronder de medewerkers van [C] als voorheen rechtmatig eigenaar van het paard VIP, zomede [eiser] zelve en zijn echtgenote.”
2.13.2In zijn CvA in reconventie heeft [verweerder] zich, onder verwijzing naar een door [betrokkene 5] opgetekende verklaring van [betrokkene 2] (prod. 14), op het standpunt gesteld dat [eiser] het paard niet voor zichzelf, maar voor [betrokkene 1] heeft gekocht (nrs. 25 en 31), althans de gestelde koop bij gebrek aan wetenschap betwist (nr. 31).
2.13.3Tijdens de comparitie in eerste aanleg verklaart [eiser] (p-v, p. 5):
“Ik heb het paard Vip gekocht van [C]. Deze koop heeft plaatsgevonden door bemiddeling van [betrokkene 1]. Omdat er meer gegadigden waren, heb ik € 20.000,- aanbetaald. Daarna heb ik het resterende bedrag betaald en ben ik eigenaar geworden van het paard. Ik ben nog steeds eigenaar van het paard. Zowel [C] als [betrokkene 2] kunnen bevestigen dat ik eigenaar van het paard ben.
De koop van het paard was een investering. Het was niet de bedoeling dat ik het paard zelf zou berijden, het was een belegging. [betrokkene 1] heeft mij deze tip gegeven. De bedoeling was dat door trainingen het paard in waarde zou vermeerderen, waarna ik het zou verkopen. [betrokkene 1] betaalde voor de stalling, de verzorging en de training. De verkoopopbrengst zou verdeeld worden tussen [betrokkene 1] en mij. Beiden zouden de gemaakte kosten terugkrijgen, waarna het overige evenredig zou worden verdeeld. Ik had de stamboekpapieren aan [betrokkene 1] gegeven, aangezien zij zorg zou dragen voor de verzorging en training.
Productie 4 bij conclusie van antwoord[de factuur, A-G] en productie 2 bij dagvaarding [het stamboekbewijs, A-G] spreken over een ander levensnummer. Het is niet duidelijk hoe dit mogelijk is. Wellicht heeft [C] zich vergist of is het levensnummer gewijzigd bij het vervangen van de papieren. Hoe het ook zij, ik houd staande dat ik eigenaar ben van het paard.”
2.13.4In appel betoogt [verweerder] – aan de hand van een geciteerde getuigenverklaring van [eiser] in de strafzaak tegen [betrokkene 1] – dat [eiser] zich als investeerder heeft opgeworpen van drie paarden waaronder het paard VIP (MvG nr. 19-22). [verweerder] vervolgt (MvG nr. 22):
“Hij is echter geen eigenaar geworden. Het paard is hem nimmer geleverd. Het is enkel vertoond op video en het paardenpaspoort en het stamboekpapier heeft hij evenmin overhandigd gekregen. Hij heeft enkel gevraagd de factuur van de aankoop door [betrokkene 1] op zijn naam te stellen waarop een betaling in de vorm van een cheque voor [betrokkene 1] is gevolgd. Hij geeft immers aan
[betrokkene 1]een “verrekeningscheque” te hebben gegeven voor de betaling aan [C]. [betrokkene 1] ondertekent de cheque ook voor ontvangst. Dit verklaart ook waarom [eiser] het paard helemaal niet herken[t] op de stallen van [betrokkene 2]; hij kende het helemaal niet.”
In het kader van de tegen toewijzing van de reconventionele vordering gerichte grief 2 herhaalt [verweerder] deze stellingen (MvG nr. 46):
“Met andere woorden, [betrokkene 1] heeft het paard gekocht, hij deed enkel de betaling en ontving in ruil daarvoor de factuur met daarop vermeld het niet juiste levensnummer (?). Daar komt bij dat het paard niet aan hem geleverd is. Hij schrijft dat het paard door [betrokkene 1] aanbevolen is en getoond op een video. Het paard stond toentertijd in Afferden bij [C] en is vandaaruit door [betrokkene 1] verhuisd naar Velbert. In juli 2011 is het paard verhuisd naar [betrokkene 2]. Dit wist [eiser] echter niet. En dat is ook goed verklaarbaar. Het paard is namelijk nimmer aan [eiser] daadwerkelijk ter hand is gesteld dan wel op een andere wijze geleverd [...], zoals de rechtbank ten onrechte stelt. Het paard is hem getoond op video en nadien door [betrokkene 1] van Afferden naar Velbert verhuisd. [eiser] heeft het paard nog nooit gezien en beschikte niet eens over het paardenpaspoort dan wel het stamboekpapier.”
“(…), en het voor [eiser] volstaat dat hij van de aankoop enkel een factuur en betalingsbewijs kan overleggen, terwijl hij het paard enkel op een video heeft gezien en ruim drie jaar niet naar omgekeken heeft. Pas in oktober 2012 is hij door [betrokkene 2] benaderd en opgevoerd als eigenaar. Logisch dat [eiser] het paard niet eens herkende op dat moment. Hij zag het voor het eerst. Het paard is hem nimmer daadwerkelijk in eigendom overgedragen dan wel feitelijk aan hem ter hand gesteld.”
2.13.5In zijn MvA tevens wijziging van eis in reconventie stelt [eiser] dat hij op of omstreeks 5 juni 2009 eigenaar is geworden van het paard VIP (nr. 6), waartoe hij aanvoert dat als titel geldt de koopovereenkomst tussen [C] en [eiser] die volgt uit de overgelegde factuur van [C] aan hem d.d. 5 juni 2009, de aanbetaling in contanten, de betaling van de restantsom middels cheque aan [C] zelf en de verklaring van [betrokkene 2] dat de heer [eiser] als koper is opgetreden (nrs. 8-9). Ten aanzien van de leveringshandeling voert [eiser] aan (nr. 8):
“De leveringshandeling volgt uit het feit dat [eiser] het paard VIP bij [C] in ontvangst heeft genomen en vervolgens voor scholing heeft gestald bij [betrokkene 4] (Gestüt am [plaats]). Ook [betrokkene 4] kan getuigen dat [eiser] eigenaar is van VIP.”
[eiser] betoogt dat het paard vervolgens in München verder is getraind, vanuit daar weer is teruggebracht naar de stallen van [betrokkene 4] en aansluitend per 20 juli 2011 bij [betrokkene 2] is gestald (nr. 8). Voorts stelt hij (nr. 9):
“Evenzeer verklaart [eiser] waarom hem nooit het paspoort en het originele stamboekpapier van VIP ter hand zijn gesteld. Los van het feit dat de overhandiging van deze papieren geen wijze van eigendomsverkrijging is, is de reden dat deze papieren bij [betrokkene 1] zijn achtergebleven juist dat [betrokkene 1] (in opdracht en voor rekening van [eiser]) zou trachten het paard verder te vermarkten. Uiteindelijk was immers de bedoeling dat het paard verder getraind zou worden (in Veldert, München en bij [betrokkene 2]), teneinde daarmee het paard in waarde te doen stijgen en een nieuwe koper te vinden.”
In reactie op grief 2 stelt [eiser] (MvA nr. 32):
“[eiser] stelt zich op het standpunt wel degelijk eigenaar te zijn geworden. Vaststaat dat tot juni 2009 [C] de rechtmatige eigenaar was van VIP. Uit de factuur van [C] aan [eiser] van 09 juni 2009 blijkt dat dressuurstal aan [eiser] heeft verkocht (“aan u verkocht, an sie verkauft”) het paard VIP. De koopsom is € 110.000,- waarvan per cheque betaald € 90.000,- en het restant in contanten. Het bedrag van de cheque is ook afgeschreven ten gunste van [C]. De levering van het paard VIP aan [eiser] heeft plaatsgehad middels feitelijke terhandstelling, waarbij [betrokkene 4] te Veldert en nadien [betrokkene 2] het paard VIP voor [eiser] zijn gaan houden. Beiden kunnen dat ook bevestigen als getuigen.”
In MvA nr. 40 doet [eiser] een bewijsaanbod:
“[eiser] handhaaft het door hem in eerste aanleg gedane bewijsaanbod volledig. In aanvulling daarop biedt [eiser] evenzeer bewijs aan van zijn stelling dat [betrokkene 4] en [betrokkene 2] het paard VIP als houder voor [eiser] als eigenaar hebben gehouden.”