Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft overeenkomsten gesloten door een onder bewind gestelde persoon, [betrokkene 1], die lijdt aan het Sturge-Webersyndroom met cognitieve beperkingen. De bewindvoerders vorderden vernietiging van deze overeenkomsten wegens misbruik van omstandigheden op grond van art. 3:44 lid 4 BW Pro, stellende dat de geestestoestand van [betrokkene 1] abnormaal was en voor eisers kenbaar had moeten zijn.
De rechtbank wees de vordering toe en het hof bekrachtigde dit oordeel, stellende dat er causaal verband bestond tussen de geestestoestand en de omvangrijke aankopen van astronomische apparatuur. Het hof vond dat eisers hadden moeten begrijpen dat [betrokkene 1] onvoldoende besef had van zijn handelen en hadden moeten ingrijpen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de geestestoestand reeds bij de eerste transacties in 2006 voor eisers kenbaar had moeten zijn. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. De overige klachten werden verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof Amsterdam en verwijst zaak naar hof Den Haag wegens onvoldoende motivering over kenbaarheid geestestoestand.