Belanghebbende had in haar aangifte vennootschapsbelasting 2010 een verlies van €7.854.895 opgegeven, veroorzaakt door een afwaardering van huurwoningen. De Inspecteur legde de aanslag conform de aangifte vast op nihil en stelde het verlies vast op hetzelfde bedrag. Belanghebbende maakte bezwaar tegen zowel de aanslag als de verliesvaststellingsbeschikking, waarbij zij de afwaardering wilde terugdraaien en winst wilde toevoegen aan de herbestedingsreserve.
De Inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De Rechtbank bevestigde dit oordeel, verwijzend naar een eerder arrest (BNB 2014/122) dat het rechtsmiddel slechts ontvankelijk is als het de indiener in een betere positie kan brengen. De Rechtbank vond dat dit niet het geval was omdat de aanslag nihil bleef en het verlies ook.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Dit bezwaar kan belanghebbende wel degelijk in een betere positie brengen, omdat de Inspecteur op andere gronden het verlies hoger kan vaststellen. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur voor zover het de verliesvaststellingsbeschikking betreft en verwijst de zaak terug naar de Inspecteur voor een nieuwe beslissing.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris en de Inspecteur in de proceskosten en bepaalt dat de griffierechten worden vergoed. De beslissing bevestigt dat het rechtsmiddel van bezwaar ontvankelijk is indien het de indiener in een betere positie kan brengen, ook bij verliesvaststellingsbeschikkingen.