Uitspraak
wonende te Groningen,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 maart 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of bij een concernfinanciering sprake was van een tegenstrijdig belang van een bestuurder die tevens aandeelhouder was, en of een regresvordering terecht werd erkend. De curator in het faillissement van Handelsonderneming [A] B.V. betoogde dat de bestuurder van de moedermaatschappij met tegenstrijdig belang had gehandeld bij het aangaan van een leningsovereenkomst waarbij regres werd toegekend aan een medeschuldenaar.
De Hoge Raad verwees naar eerdere instanties en overwoog dat de twee kort na elkaar gesloten overeenkomsten als één geheel moeten worden beschouwd. Het hof had geoordeeld dat het aangaan van deze overeenkomsten in het belang was van zowel de moedermaatschappij als haar (klein)dochters, en dat het beroep op tegenstrijdig belang faalde omdat onvoldoende feiten waren gesteld die een persoonlijk belang van de bestuurder aantoonde dat strijdig was met het belang van de vennootschappen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de curator. Het hof had terecht geoordeeld dat de regresmogelijkheid van de medeschuldenaar niet meer rechten gaf dan de oorspronkelijke schuldeiser had, en dat er geen relevant tegenstrijdig belang bestond bij het aangaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid. De Hoge Raad veroordeelde de curator tevens in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.